De oude klompenmaker uit Dussen
De oude klompenmaker Piet van Gennip staat, breekbaar en broos, op de Korn. Hij houdt van deze stokoude zeewering, hij houdt van zijn heroïsche hoeve, hij houdt van zijn kwieke huishoudhulp. Met zijn wandelstok wijst hij verwonderd in de verte. “De bewoners van deze boerderij hebben de legers van Napoleon gezien’’, zegt hij vastberaden...
“Nu rijden er dagelijks duizenden auto’s over de A27.” Piet van Gennip denkt aan toen. De Korn dankt zijn bestaan aan de Sint-Elisabethsvloed van 1421. Hele dorpen verdwenen. Hele families verdronken. De Grote Waard veranderde in de Biesbosch, een binnenzee.
Dussen lag aan zee! Dus werd in 1461 de Korn gebouwd met schop, kruiwagen en kar. Het was een kilometerslange zeewering, vanuit Werkendam naar Meeuwen en verder, met imposante lintbebouwing. De brede boerderij van Piet van Gennip, een schilderij van stenen, stamt uit 1767. Het rieten dak waakt over de eeuwige velden. Het zijn pleinen vol aardappels, tarwe en bieten. Het landschap is wijds, de hemel hoog, het vergezicht glanst.
De oude klompenmaker (92) is een authentiek mens. Hij gaat kalmpjes in zijn leunstoel bij de schouw zitten. Op het fornuis, een vijfpitter, pruttelt de koffiekan. Huishoudhulp Susan schenkt pittige koffie in. De brandende houtblokken ruiken vertrouwd. De hangklok tikt, maar de tijd staat eigenlijk stil. De keuken is een stilleven. Net als alle kamers, kamers met verborgen verhalen. Piet van Gennip houdt van historie. “Mijn opa heeft deze boerderij gekocht. Hij was bij toeval klompenmaker geworden. Dat had ook bakker kunnen zijn.
Mijn vader Janus zette de klompenmakerij voort. Ik ben hier in 1917 geboren. We moesten toen 3 km naar school lopen, twee keer per dag, totaal 12 km. Wie dit nu zou doen, zou een lintje krijgen. De meisjes gingen naar de meisjesschool bij de roomse kerk. De jongens moesten naar de jongensschool. Auto’s waren er niet, fietsen bijna niet.’’
Piet van Gennip zit op zijn praatstoel. Hij krijgt ‘veul vollek’ over de vloer. Een uurtje aan de praat met Piet gaat echt niet... De Dussense klompenindustrie ontstond zo rond 1850. Na de grote overstroming van de Langstraat en het Land van Heusden en Altena in 1880, bekend als de Ramp bij Nieuwkuijk, nam het aantal klompenmakers, wegens gebrek aan werk bij de boeren, snel toe. Aan de Korn stonden vier klompenfabriekjes, schuren waar zo’n vijftien klompenmakers werkten. Elders maakten vaders met zonen ook klompen. Die werkten ’s zomers vaak als dagloner bij een boer. Dussen had meer dan genoeg kroeghouders en tapperijen. Veel klompenmakers hadden na de werkweek dorst als een paard - dan waren ze blauw van de drank, dronken. ’s Maandags sliepen ze hun roes uit. Dan deden ze een korte tijd, een blauwe maandag, niks...
De markante klompenmaker hervat, na een slok koel leidingwater, zijn verhaal. Hij praat langzaam, weloverwogen, spitsvondig. “Dussen was een echt klompenmakersdorp. Wilgenhout en populieren voldoende. Er waren, schat ik, zeker honderd klompenmakers. Mijn vader had zeventien klompenmakers in dienst. Ze kregen stukloon, ze werden per stuk betaald, en verdienden zo’n zes gulden per week. Sommigen maakten klompen waarmee je nog niet naar de buren kon lopen. Anderen maakten klompen waarmee je de avondvierdaagse kon lopen. Bijna iedereen liep op klompen. Zelfs op klompen met gaten! Dat was van armoede. Alleen de zoon van de burgemeester had schoenen aan.’’
Piet van Gennip grinnikt. De oude klompenmaker slentert door zijn leven. Een leven vol zwoegen, een leven vol eenvoud, met af en toe geluk en pijn die te overzien was. “Naar school in Waalwijk of Gorcum zat er niet in’’, zegt hij met enige spijt in zijn stem. “Het gros van de jongens moest direct aan de slag. Het klompenmakersvak is mij met de paplepel ingegoten. Ik had een haat-liefde-verhouding met de klomp. Elke zaterdag moest ik met een handkar vol klompen in Werkendam en Sleeuwijk gaan venten. Dat heb ik nooit met hekel gedaan. Ik kwam met geld thuis en dan waren mijn vader en moeder blij. De crisis in de jaren dertig veranderde het dagelijkse bestaan drastisch. Wie geen werk had, had geen inkomen. Bijstand bestond niet. Sommigen betaalden een paar klompen van 60 cent in zes keer.’’ De zon schijnt bleekjes door de vitrage. De oude klompenmaker doet er even het zwijgen toe. Hoe bleven de mensen toen in leven? Die vraagt borrelt op.
Piet van Gennip gooit een paar houtblokken in het fornuis. Hij heeft een hekel aan kou. Het vuur verlicht zijn levensverhaal. “Bijna iedereen had een stukske gras met een geit. Die geit gaf melk! Bijna iedereen had wel kippen. Bijna iedereen had een huisvarken. Bijna iedereen had een moestuin. We ruilden groenten met de buren. Dat ging heel gemoedelijk. Het was een treurige tijd. De mensen bleven gemoedelijk. Mijn vader kon rustig 200 paar klompen buiten zetten om te drogen. Dat hoef je nu niet te proberen.’’ Het dorpsleven kabbelde voort. Soms hield iedereen de adem in. De crisis in de jaren dertig leidde tot de Tweede Wereldoorlog van 1940-1945. De Duitsers vielen Nederland binnen. Tot 1944 heeft Dussen echter geen Duitser gezien.
Piet van Gennip vertelt over de oorlog. “We hadden drie onderduikers, geen joden. Toch was het net of er geen oorlog was. Tot september 1944! De opmars van de geallieerden kwam tot stilstand bij de Bergsche Maas. Het Land van Heusden en Altena zat vol Duitsers. Canadezen en Polen schoten af en toe op onze kant. Dussen-Binnen moest eerst evacueren. Wij gingen met Kerstmis weg. Naar de Schans in Werkendam, bij kennissen. Ik kende daar iedereen. We ruilden klompen voor eten. Zo bleven we in leven. Toen we terugkeerden waren de ruiten eruit. Dussen-Binnen lag in puin.’’ Zijn verhaal over de oorlog is nog niet af. Café de Koppelpaarden stond tussen twee fraaie gebouwen: het raadhuis en de rooms-katholieke kerk. De Duitsers hadden de kelder van het raadhuis volgeladen met munitie, mijnen en pantservuisten. Net na de bevrijding wilden twee leden der Binnenlandse Strijdkrachten de explosieven opruimen. Door onbekende oorzaak vloog het gebouw in de lucht. Drie burgers, die voor het raadhuis stonden, kwamen ook om het leven. De kerk was door de beschietingen flink beschadigd. Geschokt en radeloos besloot men om de kerk af te breken...
Piet van Gennip gaat in een andere stoel voor de kachel zitten. Terloops houdt hij zich vast aan de keukentafel. Hij heeft last van ongemakken. De oude klompenmaker praat zichzelf moed in. Hij gaat met een zucht zitten, neemt een slok water, en vertelt verder. “Direct na de oorlog was er veel vraag naar klompen. Toen werd de rubber laars uitgevonden. Een zware concurrent. De meeste klompenmakers moesten stoppen. Ge kunt het tij niet keren! Ik heb het met drie knechten tot 2000 volgehouden. Daarna heeft Peter den Dekker het van me overgenomen. Hij verzorgt nu vooral demonstraties. De bussen met volk komen van heinde en verre. Dat is kaas op de boterham. Een klompenmaker die met de hand werkt, is een kunstenaar. Ik ben altijd vrijgezel gebleven. Heb nooit de ware gevonden. Ik hou het leven graag simpel, eenvoudig.’’ Het laatste verhaal uit een enerverend leven. Wat vindt de oude klompenmaker van de moderne tijd? De hangklok slaat. De houtlucht maakt vredig. De bedstee beweegt niet.
Piet van Gennip is uit het goede hout gesneden. “De tijd van toen en de tijd van nu zijn niet te vergelijken’’, zegt hij beslist. “Maar de mens is een kuddedier gebleven. Als Sophia Loren op klompen loopt, loopt iedereen op klompen. Veel mensen denken dat ze het slecht hebben. Ze baden nog in weelde. Ik kijk elke avond tv. Heb niks tegen moslims, maar ze moeten niet de dienst gaan uitmaken. Eerst een gulden verdienen, daarna uitgeven, dat is mijn principe. Iemand die niet tevreden is, is nooit gelukkig.’’
Piet van Gennip overleed op 20 mei 2010. In zijn rouwadvertentie stond: Geen boom wast op enen dag, geen boom valt den eersten slag.


