De verwoesting van Altena
Het was 1393 en niets leek op de verwoesting van Slot Altena. Niemand, boer noch visser, hoefde belasting te betalen in de Heerlijkheid Altena. De zalm gleed zachtkens door Waal en Alm. De wilde zwijnen knorden vreedzaam tussen de bereklauwen en knotwilgen. Aan de rivier zaten enkele vissers rond een houtvuur. Ze hadden drijfnatte voeten en niks gevangen. Hun koppen deden denken aan de Batavieren. Niet ouder dan veertig jaar werden ze.
Plotseling stoof een ruiter door het struikgewas. “Te wapen, te wapen”, riep hij. En hij gooide honderd dukaten in het zand... Als een lopend vuurtje verspreidde het nieuws zich door Woldrichem en de Woldrichemerwardt. Honderden schamel geklede vissers gingen in looppas naar Albrecht van Beieren. Zo heette de ridder én Heer van Altena. “Op naar Slot Altena! Daar heeft mijn zoon Willem zich verschanst. Hij heeft jonkvrouw Aleida van Poelgeest, mijn lieve vriendin, vermoord!’’, schreeuwde hij buiten zinnen.
Albrecht van Beieren zwaaide met zijn houten lans en met nog meer dukaten. De vissers vergaten hun fuiken en trokken hun dolk. Sommigen kregen helmen, zwaarden en overjarige schilden. “Veuruit mè de geit! Anders krijge we gèèn cinte!”, joelde een visser strijdlustig. En zo trok een bewapende colonne van soldaten, vissers en landlopers te paard en te voet naar Slot Altena. Alle boeren hadden intussen de benen genomen. De heerlijke gehuchten Honswijck, Muilwijck, Clootwijck en Zandwijck waren verlaten. Koeien liepen verdwaasd rond. De wilde zwijnen huilden onbedaarlijk. Albrecht van Beieren liet de colonne in het zicht van het slot stoppen. Hij gaf een beul opdracht om een stuk of tien koeien te roosteren.
Stenen bekers met bier gingen rond. De bierbrouwer van Woldrichem bracht nog een karrenvracht. De stemming werd opperbest en oorlogszuchtig... Slot Altena stond op een heuvel aan de bruisende Alm. Met torens van hout, kwetsbaar en oud. Omringd door een gracht en een muur. Albrecht van Beieren keek met ingehouden woede rond. Hij hees zich in zijn harnas.
“Soldaten! Vissers! Landlopers! Ten aanval!” De krijgers stormden voorwaarts. Ze hadden geen angst voor de dood. De Heer van Altena had hen het eeuwige leven beloofd... Albrecht van Beieren had evenwel geen trek in een veldslag. Met dit drankzuchtige zootje ongeregeld zou hij de slag om Slot Altena nooit winnen. Hij had zijn wapensmid nieuwe pijlen laten maken. Achter de stenen pijlpunt zat een metalen reservoir met gloeiende kolen.
De Heer van Altena nam zijn boog, keek en schoot... De pijl raakte het dak van een schuurtje met turf. Het vlammetje werd een vlam. De vlam werd een vuurzee. Albrecht van Beieren hoorde zijn zoon Willem om hulp schreeuwen. Ontelbare jonkvrouwen sprongen pardoes in de gracht. Soldaten, vissers en landlopers hielden de adem in. Slot Altena veranderde in een ruïne. Maar Willem ontsnapte door een onderaardse gang naar de Alm.
Vele, vele jaren later sloten vader en zoon toch vrede.


