De vlasschuur loopt op zijn laatste benen
Aan de Korn staat, haast vergeten, een zwarte schuur. Een schuur vol rimpels, duistere ogen en verzakte ledematen. Het donkere bitumen dak valt op, met zwarte planken rondom, en een randje verloren riet. Zeeger van Vark betast omzichtig het hout.............
Aan de Korn staat, haast vergeten, een zwarte schuur. Een schuur vol rimpels, duistere ogen en verzakte ledematen. Het donkere bitumen dak valt op, met zwarte planken rondom, en een randje verloren riet. Zeeger van Vark betast omzichtig het hout, kijkt voorzichtig naar binnen. Hier heeft hij gezwoegd, van vroeg tot laat, bij vrieskou en hitte, tussen de bossen vlas, tussen het verstikkende stof. Wie weet er nog dat het een vlasschuur is geweest?
Dussen was een dorp van boeren, klompenmakers en rietdekkers. In 1860 telde Dussen 30 vlasserijen die 118 arbeiders werk verschaften. Goede en slechte jaren wisselden elkaar af. In 1907 telde het dorp nog 9 fabriekjes waar de vlas werd verwerkt, met totaal 39 arbeiders. Stijgende arbeidskosten en slechte oogsten maakten boeren huiverig om vlas, de grondstof voor linnen, te verbouwen. Zeeger van Vark (1931) woonde aan de Korn 37. Daar waar de oude vlasschuur staat.
“Mijn vader Otto was eerst vlasboer, later een gemengde boer, van het vlas alleen kon hij niet bestaan. Hij had wat koeien, verbouwde bieten, aardappelen, tarwe, haver en vlas. Huurde een hectare of tien van andere boeren’’, herinnert hij zich. Zeeger van Vark moest na schooltijd natuurlijk meewerken op de boerderij. “Het vlas werd in het voorjaar met de hand gezaaid. Een man of vijf achter elkaar, de schort met zaad voor’’, vertelt hij droog. “Toen de zaaiviool werd uitgevonden was dat een gruwelijke verbetering. Met een riem om je nek liep je het land op en neer, zaaide zo’n twee meter breed. Pas toen de machines kwamen werd er op rij gezaaid. We wiedden het vlas met een schrepeltje, tien (!) man naast elkaar.’’
Het vlas bloeide verrukkelijk blauw. Blauwe plekken in de polder. Golven van genot en gruwel. Een donderbui kon de hele oogst doen mislukken. Iedere vlasboer keek angstig naar de lucht. Het was hopen en bidden om kracht. Zodra het vlas een groengele kleur kreeg begon de oogst. Het plukken van de vlasstengels vereiste een zekere kunst. Zeeger van Vark laat zien hoe dat moet. Met één beweging werd een aantal stengels uit de grond getrokken. “We maakten van de stengels een boske en legden dat op de grond. Daarna werden de bossen opgebonden om te drogen’’, zegt hij en geeft aan hoe dat ging. “Mijn vader verkocht een deel van het vlas aan Belgen en sloeg de rest op in de vlaskooi. Pas als het andere werk op het land klaar was, begon de verwerking van vlas. Zo in november/december. Dan hadden de landarbeiders ook ’s winters werk. Iedereen wilde wat verdienen, ondanks dat het een grote stofzooi was. Ze begonnen al om vijf uur. En gingen tot laat in de avond door. De zaadbollen werden van de stengels getrokken. Het was gruwelijk stoffig dat repelen. Iedereen liep te hoesten.’’
Om hun keel te smeren namen de vlasarbeiders blauwe kannen met kouwe thee mee van huis. Het was vechten voor een schamel loon. Vechten voor een boterham met tevredenheid. Vechten voor een warme prak. Meestal een hoop aardappels, met een beetje groenten, uit eigen tuin. En als het lijden kon een stukske spek. Brakelse knollen met rauwe andijvie en uitgebakken spek vormden de favoriete boerenkost. Goedkoop, voedzaam en lekker. Zeeger van Vark noemt de Brakelse knollen de Mercedes onder de knollen. De vlasschuur/vlaskooi was het toneel van vechtlust. Met de bollenbreker en de kafmolen in de hoofdrol. Martelwerktuigen waren het. De boeren gooiden niks weg! Het zaad werd hergebruikt of elders geperst tot lijnzaadkoeken en lijnolie. De bast van de stengel betekende strooisel voor de koeien. “Mijn vader verwerkte het vlas zelf. In het voorjaar legden we de boskes vlas in de sloot, onder een laag modder. Dat noemden ze roten. Het water begon dan enorm te stinken,’’ vertelt hij met een vies gezicht. “De bast van het vlas moest verrotten. Zo bleven de ruwe vezels, de grondstof voor linnen, over.
Vlasfabriekskes hadden al machines om de vezels glad en schoon af te werken.’’ Zeeger van Vark zucht. Hij heeft geen heimwee naar die tijd. Zijn vader stopte na de oorlog met de vlasbouw. De kunstvezels veranderden het boerenbestaan, het leven veranderde, alles veranderde. Boeren werken nu met grote machines, zonder knechten. HHet vlasfabriekske van de gebroeders Gert en Jan Raams verschafte de halve Korn vreten. Daar werkten wel vijftien landarbeiders. Begin jaren zestig ging de deur dicht. Aan het tijdperk van stof en stank, tobben en moren was een einde gekomen. De pijp van het vlasfabriekske ging in 2010 tegen de vlakte.
De vlasschuur van Otto en Zeeger van Vark leeft nog.


